Blog

  • Publicaties

No stress!

Gepubliceerd op 30 oktober 2014

De stresstest voor Europese banken heeft de afgelopen dagen de gemoederen op de beurs en in de pers genoeg beziggehouden. Tijd voor een beetje perspectief.

Het grotere plan waar de stresstest onderdeel van uitmaakt, is een Europese Bankenunie. De bankenunie bestaat uit drie pijlers. Europees toezicht, een Europese aanpak van banken in nood en een Europees depositogarantiestelsel. Het is interessant om te weten dat we straks één toezichthouder hebben voor de 150 systeembanken in Europa in de vorm van het zogenaamde ‘Single Supervisory Mechanism’. Dit is een nieuwe toezichthouder die naast de Europese Bankenautoriteit komt, want die laatste bestaat al sinds 2010. Ook deze autoriteit houdt toezicht op dezelfde banken. En dan moeten we niet vergeten dat er nog nationale toezichthouders zijn. Met deze ‘bazooka’ aan toezicht kan het bijna niet meer misgaan in de financiële sector in Europa.

Voordat we de tweede pijler toelichten bespreken we kort het nationale deposito garantiestelsel. Dit is sinds 2010 verder geharmoniseerd en bedraagt nu in de gehele Europese Unie € 100.000,- per spaarder, waarbij elk land de garantie zelf moet kunnen ‘ophoesten’. Het meest interessante aspect van de Bankenunie is in onze optiek echter pijler nummer twee, een Europese aanpak van banken in nood. Bij deze tweede pijler bepaalt de zogenaamde Afwikkelingsraad (onder andere ECB en Europese Commissie) of een bank gered wordt of niet. Op welke manier het huidige ESM ingezet kan worden als zogenaamd Afwikkelingsfonds is nog niet duidelijk. Ook zal er een resolutiefonds komen dat in 2025 een omvang heeft van € 55 miljard. Als de Afwikkelingsraad besluit tot redding van een bank, wordt er eerst een beroep gedaan op de aandeelhouders, dan op de obligatiehouders en ten slotte de grote spaarders. Klinkt bekend?

Op 25 maart 2013 kwamen de Europese Commissie, de ECB en het IMF met een € 10 miljard ‘bail out’ voor een Cypriotische bank, waarbij de Cypriotische overheid zelf € 7 miljard moest bijdragen. De twee grootste banken van het land gingen failliet en spaarders waren hun spaargelden boven de € 100.000,- kwijt. Alle spaartegoeden onder de € 100.000,- werden ongemoeid gelaten. Het ‘bail in’-karakter van deze redding zat hem dus in het feit dat spaarders moesten meebetalen aan het faillissement van beide banken. Laat dit nou net het fenomeen zijn dat terugkomt in de tweede pijler van de bankenunie.

Uiteindelijk is de bankenunie erop gericht dat de belastingbetaler buiten schot blijft en de reële economie niet geraakt wordt, maar zowel spaarders als obligatiehouders gaan daarvoor in de plaats wel meebetalen aan de schade. Een vergoeding voor dit risico zou op zijn plaats zijn, maar we weten allemaal hoe ‘hoog’ deze vergoeding is op een gangbare spaarrekening. De vergoeding op obligaties van financiële instellingen is niet veel hoger.

We verwachten niet dat we Cypriotische taferelen zullen zien in het Nederlandse bankwezen. Waar we wel kritisch op blijven, is of de vergoeding voor risico recht doet aan het risico dat daadwerkelijk gelopen wordt. We begrijpen daarom maar al te goed dat beleggers naast hun spaartegoed ook spreiding aanbrengen in hun vermogen met een kwalitatief goede beleggingsportefeuille.